
Het is april 2008. Ik ben 22 jaar jong en ik zit voor het eerst in mijn leven op een meditatiekussen. Zo’n rood rond kussen. Rechts van me zit mijn vriend Teun. Hij verblijft drie maanden in Nepal. En ik zoek hem deze maand op om samen door dit bijzondere land te reizen.
Nieuwsgierig.
Een land met een hele andere cultuur, waar het boeddhisme en hindoeïsme een centrale plek hebben. Het maakt ons nieuwsgierig. En daarom zijn we tot het geniale idee gekomen om deze middag in een boeddhistische tempel bij de monniken in meditatie te gaan. Nou ja. Geniaal idee… Het voelt nu alles behalve leuk en geniaal. Nieuwsgierig ben ik ook niet meer. Ik ziet hier opgevouwen op een kussen stil te wezen. En het is alles behalve stil. Het stormt in mijn hoofd. Over mijn krakende en piepende lijf nog niet te spreken. Alles doet zeer. Ik probeer mezelf niet te bewegen. Want ieder geluidje dat ik nu maak zal iedereen horen.
Ik open stiekem mijn ogen tot spleetjes en zie in mijn oog hoek dat Teun er ook niet heel comfortabel bij zit. Gelukkig. Ik ben niet de enige. Voor me zit een monnik met een vriendelijk gelaat. Zijn ogen zijn gesloten. Zijn uitstraling is zacht en vredig. En ik kan nu alleen maar denken: Hoe dan? Hoe kun je in Gods naam opgevouwen op een kussen zo vredig zitten?

Stilte en storm.
‘De weg naar de stilte gaat dwars door de storm’, zingt Stef Bos. Ik ben het roerig met hem eens. Door de jaren heen heb ik geleerd dat mediteren niet betekent dat je op een kussen gaat zitten en het allemaal alleen maar zen en peace is. Mediteren is eigenlijk heel hard werken. Hard werken om de storm te trotseren en de stilte achter de storm te ontmoeten. Het vraagt concentratie, inzet, geduld en mildheid om je weg door de storm te vinden. Ondanks die eerste ervaring heb ik gaandeweg ontdekt dat mediteren je echt kan helpen. Helpen om een eikpunt, een rustpunt, bewustwording en focus te vinden en aan te brengen tussen alle gedachten en verantwoordelijkheden die aan je trekken.
Meditatie kent vele vormen.
Dat kan zittend op een kussen in een Boeddhistische tempel in Nepal. Dat kan zittend op een kussen in je woonkamer in Nederland. Het kan tijdens je wandeling. In je keuken terwijl je kookt. Breiend. Tuinierend. Wanneer je op de wc zit. Je tanden poetst. Of met je snoet in de zon zit. Eigenlijk kan het ieder moment van de dag. Dag in, dag uit. Het gaat vooral om hoe je het moment beleefd. Hoe je in het moment bent. Of je aanwezig kunt zijn. In plaats van dat je met je hoofd in verleden of toekomst bent en meevliegt in de storm aan gedachten over werk, kinderen, ouders en sociale bezigheden. Je nodigt jezelf uit om steeds opnieuw hier en nu te zijn. Bij je ademhaling. De groente die je snijdt. De zon die op je huid brandt.
Je concentreert je. Steeds als de wervelwind zich weer aandient ga je terug.
Breng je opnieuw focus aan. En richt je je op wat je hier aan het doen bent.

Wat is de winst?
Ik hoor het je bijna denken… Wat is de winst dan? Gedachten over verleden of toekomst gaan vaak direct gepaard met zorgen, angst en spanning. Door je aandacht te verleggen – of beter gezegd te richten naar het nu – kan er ontspanning komen. Omdat je je losmaakt van de zorgen kun je voelen hoe het werkelijk met je gaat. Kun je rust vinden. En landen in de stilte. In dat het hier en nu gewoon goed is.
Een verademing.
In onze maatschappij waar we 24/7 prikkels en impulsen krijgen en kunnen opzoeken kan het echt een verademing zijn om zo nu en dan even niet geprikkeld te worden. We zijn het niet (meer) gewend. Niet voor niets kampen zoveel mensen de laatste jaren met een burn-out. Overprikkeld. Een te grote hoeveelheid aan prikkels kan er letterlijk voor zorgen dat we uitvallen.
Ook ik was niet bekend met het ont-prikkelen. Zo bleek 13 jaar geleden op dat kussen in Nepal. Ik had nog nooit een uur in stilte gezeten. Gewoon echt alleen zitten he. Niet meer en niet minder. Ik wilde direct weg. Werd er ongemakkelijk van. Onrustig ook. En zo bleek ook jaren later toen ik uitviel door ziekte. Een periode van drie jaar waarin ik letterlijk en figuurlijk kwam stil te staan en op confronterende wijze de winst van vertragen ontdekte.
Het hoopvolle is dat ik het mezelf heb kunnen leren om stil te worden. Om te vertragen. Om naast iets doen ook gewoon heel regelmatig niets te doen. Te lummelen. Te mediteren. En mijn aandacht hier te houden. 
Net als een spier.
Eigenlijk is het net als een spier die je traint. Zoals je ook in de gym doet. Het is niet zo dat na één training je spieren ontwikkelt zijn. Het vraagt terugkerende aandacht én onderhoud. Dan pas groeien je spieren. Nou… en zo werkt het dus ook met de meditatie-spier. Die kun je gewoon trainen. De ene keer verloopt de training smooth. De andere keer is het een taaie. Voel je al die weerstand. Heb je geen zin. Gaat het moeizaam.
En als je volhoudt… Toch steeds weer aan je training begint. Kan daarna de opbrengst gevoeld worden. ‘Dat het toch wel lekker was dat je bent gegaan’. Dat je hebt getraind en je daarna lichter, helderder en sterker voelt.
Nou. Datzelfde geldt voor mediteren.

Dus ik begeef me weer richting mijn kussen. Even mijn spieren trainen. En wie weet. Kijk ik straks net zo vredig als die monnik in dat Boeddhistische klooster in Nepal.
Je (meditatie)spieren trainen. Dat is Andere Koek!
Met liefs,
Rianne


